Arbeidersbeweging
In de tweede helft van de negentiende eeuw komt de industrialisatie in Nederland op gang. In het vierde kwartaal is de industriële werkgelegenheid dominant geworden aan die van de landbouw, waardoor er een trek ontstaat naar de steden. De arbeidsbevolking, veelal laag opgeleid, moet genoegen nemen met de behuizing die beschikbaar is en met lonen die eenzijdig zijn vastgesteld. Is er in de vroege industriële bedrijvigheid nog sprake van enige gemoedelijkheid in de arbeidsverhoudingen, combinatie van boerenbedrijfje met fabriekswerk, zoals in de vroege ijzerindustrie in de Achterhoek. Met de groei van de industrie worden de tegenstellingen tussen kapitaal en arbeid scherper. Na het midden van de negentiende eeuw krijgt de uitbuiting van de arbeiders als ‘sociale kwestie’ aandacht vanuit vrijzinnige kring. Onder de arbeiders zelf komt schoorvoetend een beweging opgang ter verbetering van hun arbeidsomstandigheden. Er is eerst sprake van een meer algemene agitatie waar tegen het eind van de eeuw de politieke arbeidersbeweging uit voortkomt. Wat later ontstaan, eerst plaatselijk en later landelijk, vakbonden die zich inzetten voor verbetering van de arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden. De
vakbonden moeten de nodige strijd leveren voor erkenning, maar slagen er in de eerste helft van de twintigste eeuw in de arbeidsvoorwaarden, door het afsluiten van cao’s, in de meeste bedrijfstakken te regelen en te verbeteren. De cao is, naast wetgeving, een belangrijk vehikel waarin de arbeidsverhoudingen zijn vastgelegd.