Binnen een tijdsbestek van pakweg een halve eeuw, verandert de positie van de noordelijke gewesten als ondergeschikt deel van het Spaanse rijk, in de zelfstandige Republiek der Verenigde Nederlanden. De veranderingen op sociaal-maatschappelijk, economisch en religieus gebied moeten, zeker in zo’n kort tijdsbestek, gigantisch zijn geweest. Het zijn veranderingen die binnen één á twee generaties plaatsvonden. De bevolking gaat, al dan niet in naam, over van het Rooms-Katholieke geloof naar het Gereformeerde geloof. Het eigendom van de kerken gaat over in andere handen. De kloosters worden gesloten en verkocht. Vooral de kust provincies ondergaan een transitie waarin een landbouw en visserij economie overgaat in een handels- en oorlogseconomie. Uit de koopliedengilden groeit een nieuwe regentenklasse. De ‘ommelandvaart’ groeit uit tot de moeder van de negotie: de Oostzeehandel. De bestaande trafieken voor het verwerken van suiker en zout groeien en nieuwe trafieken zoals die voor de wapenproductie komen tot stand. Vluchtelingen uit de Zuidelijke-Nederlanden, vooral handels- en ambachtslieden, doen de bevolking groeien, de beroepsbevolking in kwaliteit toenemen en het handelskapitaal groeien. De uitdijende handels- en oorlogsvloot doet de behoefte aan zeelieden toenemen. De Opstand vereist de opbouw van een militair apparaat met tienduizenden soldaten, die een militaire uitrusting behoeven. De behoefte aan personeel bij leger en vloot trekt ‘vreemd volk’ aan.