Ora et labora

Arbeidsverhoudingen in de vroege middeleeuwen

In het Frankische tijdperk verandert de laatantieke samenleving in mentaal, sociaal en wetenschappelijk opzicht. De herwaardering van (hand)arbeid als sociaal fenomeen draagt zorg voor de nodige economisch-technische impulsen. In de Grieks-Romeinse wereld verdient lediggang de voorkeur boven het verrichten van (vooral lichamelijke) arbeid, omdat naar hun opvatting arbeid weinig tot geen waarde heeft. In maatschappelijke zin is er zelfs sprake van minachting voor mensen die arbeid verrichten. Dit geldt met name voor de bovenlaag in de samenleving, die haar rijkdom ziet als het bewijs van hun deugd. Uit de oudheid zijn slechts klasse-gebonden en verwarrende voorstellingen overgeleverd over de plaats die arbeid in de samenleving inneemt. Er bestaat geen omlijnde doctrine over arbeid en arbeidsinzet. Zelfs het moderne begrip arbeid heeft geen overeenkomst in het Grieks en Latijn, ook niet in de latere zogenaamde volkstaal. Aan de Grieks-Romeinse notabelen zijn openbare werkzaamheden toegestaan. Handel, vooral groothandel, is als aanvulling op de opbrengst van het landbezit, het vaderlijk erfdeel, geoorloofd. Een activiteit als arts, architect of redenaar is nog eerbaar, maar handarbeid geldt als smerig en vernederend. De elitaire en klasse-gebonden houding en de klasse-specifieke waarden en verplichtingen, gepubliceerd en verspreid door filosofen en schrijvende politici, staan haaks op de afwijkende opvattingen van de arbeidende zelf, vooral onder diegene die door hun eigen (hand)arbeid tot een zekere welstand zijn gekomen.