Inte Onsman, de eerste bezoldigde secretaris van de Nederlandsche Barbiers- en Kappersbond (N.B. en K.B.) schrijft in 1916 bij het 25-jarig bestaan van zijn organisatie in het jubileumboek: “Het begin is de leerling. De grootste vijand van de welstand van het bedrijf, de oorzaak van nu veler leed en zorg, de bedreiging in een simpele jongensblouse. Waar er in ons bedrijf ook gebrek aan mogen zijn, zeker niet aan leerlingen.” Ook al ontdoen we deze ontboezeming van zijn retoriek, de boodschap is duidelijk: te veel leerlingen maken de spoeling dun. De leerling komt, naast de kapperszoon, vooral uit de kring van de loonafhankelijke. De vader, die voor zijn jongen na afloop van de lagere school werk zoekt, die zelf maar al te goed weet hoe zwaar, slecht betaald en geestdodend het werk op de fabriek is, lijkt een baantje in een winkel zo slecht nog niet. Voor de kapper, die een volwassen hulp in de zaak niet kan betalen, zijn een paar goedkope rappe jongenshanden welkom. Nadat een leerling een paar jaar in het vak is en enkele patroons heeft gehad, krijgt hij de status van aankomend of 2e bediende.