In de vierde eeuw bedreigt de economische en sociale ontwikkeling de samenhang van het Romeinse Rijk met als gevolg dat de keizers tal van wetten uitvaardigen om die ontwikkeling te stuiten. Machtige generaals en bestuurders en ‘oud geld’, senatoren en sommige lokale grote in de provincies, verwerven steeds meer goederen en het grootgrondbezit neemt aanzienlijk toe. De grootgrondbezitters kunnen door macht en rijkdom veel van hun lasten afwentelen. De belastinginners zijn niet tegen hen opgewassen en de staat heeft ondanks de bureaucratisering te weinig mensen en middelen om hun doen en laten afdoende te controleren. Bovendien nemen deze machtige rijke tal van regeringsposten in die ze ten eigen bate benutten. Versterkte villa’s met voorraadkamers en arsenalen, bewapende pachters en slaven ter verdedigen tegen rovers, barbaren en plunderende soldaten, zijn de centra van de uitgestrekte landgoederen. Vrije boeren die bezwijken onder de belastingdruk stellen zich met hele dorpen tegelijk onder bescherming van deze ‘landadel’, geven hun vrijheid op en worden grondgebonden pachters, coloni genaamd.