De Keppelsche

De geschiedenis van de IJzermolen aan de Bielheimerbeek en de Keppelsche IJzergieterij te Laag-Keppel

Josias Olmius is ongetwijfeld de entrepreneur die op zeker moment een afzetmarkt ziet voor ijzeren producten, oog heeft voor de beschikbaarheid van grondstoffen en dit alles weet te combineren met de benodigde productietechniek. Olmius, geboren ca. 1655 te Lochem, is de zoon van Johannes Ludovicus Olmius een predikant, die in 1644 beroepen wordt van Vreden naar Gelselaar, enige kilometers ten oosten van Lochem, en van Margaretha Geverdinck, geboren te Borculo. Vader Olmius is in 1652 predikant van de Gereformeerde gemeente te Lochem. Het gezin telt zes jongens en twee meisjes.

Vóór 1689 laat Olmius geen sporen na in Gelderland. In Rotterdam, waar hij ondernemer en koopman is, is hij van 1675-1690 luitenant der burgerij en van 1678 tot 1679 commissaris van het watergerecht. Samen met zijn compagnon Dominicus Roosmale beschikt Olmius over een Staten privilege om harde witte of gemarmerde zeep te fabriceren, die ‘Spaansche of Marseillaansche’ zeep wordt genoemd. Eind 1674 huwt hij te Hillegersberg met Maria van Schoonhoven. Samen krijgen zij vier dochters en vijf zonen. Dat Olmius tenminste enige affiniteit heeft met techniek bewijst het octrooi dat hij in 1687 verkrijgt van de Staten-Generaal voor een uitvinding van het “manufacture van fyn Frans Spiegelglas, op de maniere van groote ronde schyven, ende andere”. Het octrooi wordt voor twintig jaar verleend onder voorwaarde dat binnen een jaar na verlening van het octrooi met de productie moet zijn begonnen. Waarschijnlijk is aan deze voorwaarden niet voldaan, want al in 1689 wordt aan een andere Rotterdamse koopman een gelijksoortig octrooi verleend. Olmius zal al te druk zijn geweest met de voorbereiding van het stichten van zijn ijzermolen.